Je beelden zien er net iets te scherp, te "videoachtig" uit? Grote kans dat het aan je sluitertijd ligt — en dat een ND-filter de oplossing is. Geen ingewikkelde theorie, gewoon één regel en één hulpmiddel.
De 180-graden-regel
Voor een natuurlijke, filmische beweging zet je je sluitertijd op ongeveer twee keer je framerate. Film je op 25 beelden per seconde, dan wil je een sluitertijd van rond 1/50. Daardoor krijgt beweging een lichte, vloeiende veeg — precies wat we gewend zijn van film.
Het probleem bij fel licht
Buiten op een zonnige dag is 1/50 veel te traag: je beeld wordt schreeuwend overbelicht. Je zou de sluitertijd kunnen verhogen, maar dan verlies je die filmische veeg en wordt alles schokkerig scherp.
Wat een ND-filter doet
Een ND-filter (Neutral Density) is in feite een zonnebril voor je lens: het houdt een deel van het licht tegen, zonder de kleur te veranderen. Zo kun je je trage sluitertijd aanhouden zónder overbelichting.
Welke sterkte heb ik nodig?
Dat hangt af van je framerate, sluiterhoek en hoe fel het licht is. In plaats van rekenen kun je het direct laten uitrekenen met de ND-filter-calculator: kies je framerate en het licht, en je ziet welke ND-sterkte je nodig hebt.
Bewolkt ≈ ND8, zonnig ≈ ND16, felle middagzon of sneeuw/water ≈ ND32 of meer.
De volledige uitleg — inclusief variabele ND's en wanneer je ze stapelt — staat in De Vluchtfilmer.